Lezen: Genesis 16: 1 t/m 16  Abraham dl. 6 : Waar kom je vandaan?  
5 a Sarai zei tegen Abram: ‘Voor het onrecht dat mij wordt aangedaan ben jij verantwoordelijk!’

6 Abram antwoordde: ‘Het is jouw slavin, doe met haar wat je goeddunkt.’ Toen maakte Sarai haar het leven zo zwaar dat ze vluchtte. 7 De engel van de HEER trof haar in de woestijn aan bij een waterbron, de bron die aan de weg naar Sur ligt.
8a  ‘Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je heen?’ vroeg Hij.

Tien lange jaren wonen Abram en Saraï in Kanaän. Samen keken ze uit naar de belofte van God, maar nog steeds geen kind.  De druk zal voor Saraï groot zijn geweest, zeker in de cultuur van die tijd. Het was de roeping van een vrouw om kinderen te krijgen, het nageslacht te garanderen en daarmee ook je bestaanszekerheid. Vaak waren er gevoelens van schaamte en van tekort schieten. We begrijpen hoe Saraï zich moet hebben gevoeld. ‘ De Heer houdt mijn moederschoot gesloten’. Maar Saraï weet een oplossing: als een andere vrouw binnen het huishouden nu eens zwanger wordt van Abram.  Het was een bekend en geaccepteerd gebruik binnen hun cultuur. Het kind dat vervolgens geboren werd, gold als jouw kind. Dat is het beste wat Saraï Abram kan bieden. Abram gaat notabene akkoord.

De vrouw die Abram wordt aangeboden door Saraï is Hagar.  Hagar komt uit Egypte, zij is meegekomen met Abram en Saraï toen zij uit ongeloof naar Egypte gingen. Opvallend is dat Abram en Saraï de naam van Hagar niet noemen. Wat we wel lezen is: mijn slavin, jouw slavin of haar. Hagar wordt aangeduid als bezit, als iemand die afkomstig is uit een plek waar Abram niet had moeten zijn.  Hagar wordt zwanger, en alles verandert binnen het huishouden. Hagar verliest haar respect voor haar meesteres. Waar is Abram in dit verhaal? De man van geloof die luisterde naar de stem van zijn vrouw, in plaats van naar de stem van God. Als Saraï haar beklag doet bij haar man, maar Abram maakt zich er met een jantje van leiden af. Saraï moet het maar uitzoeken en krijgt eigenlijk een vrijbrief om te doen wat het haar goeddunkt. Dat is niet tegen dovemansoren gezegd, arme Hagar, zij is een speelbal en ziet maar één oplossing: vluchten, weg van haar meesteres die haar het leven zo zwaar maakt.

Hagar vlucht de woestijn in. Zij was niet op zoek naar God, maar God was wel op zoek naar haar.  God stelt twee vragen: ‘Waar kom je vandaan?’ en ‘Waar ga je naartoe?’  Als ons gevraagd wordt waar we vandaan komen dan noemen we meestal onze woonplaats. Als er verder doorgevraagd wordt dan vertellen we wellicht over onze afkomst of onze persoonlijke geschiedenis, we kunnen uit een bepaalde situatie of omstandigheden komen. 

Dus welk verhaal vertellen we als er wordt gevraagd waar wíj vandaan komen?  Wie vanuit het geloof een antwoord wil geven op deze vraag beseft dat hij/zij van God komt. Wij zijn niet het product van toeval, we zijn bedacht, bedoeld, gewild door een Almachtige Scheppende God. We zijn prachtig gemaakt, om een bron van zegen te zijn voor onze omgeveing. Met alle unieke mogelijkheden, talenten en gaven die wij hebben gekregen. We zijn geschapen om de glorie van God te weerspiegelen naar de wereld, maar ook dichtbij.  Dat is waar wij ten diepste vandaan komen. En waar we naar toe gaan?. God weet onze toekomst, waar we naar toe gaan, onze bestemming. En in ons hart beseffen we dit ook.

Opvallend is dat Hagar de tweede vraag niet eens meer beantwoord.  God stuurt Hagar terug naar Saraï, omdat God weet wat de toekomst gaat brengen. Hagar op haar beurt is vol ontzag: ‘…heb ik hier niet Hem gezien die naar mij heeft omgezien?’  Het zal Hagar diep hebben geraakt dat zij werd gezien. God is Diegene die iedereen echt ziet, ons allen liefheeft. Geweldig hoe Hagar Gods liefde heeft ervaren.  Tussen ‘waar kom je vandaan’ en ‘waar ga je naar toe’  ligt de roepstem van God, want:  God roept, ook u