Lezen Lucas 24: 13 t/m 35: De Emmaüsgangers
13 Diezelfde dag gingen twee van de leerlingen op weg naar Emmaüs, een dorp dat zestig stadie van Jeruzalem verwijderd ligt. 14 Ze spraken met elkaar over alles wat er was voorgevallen. 15 Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren, kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee, 16 maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze Hem niet herkenden. 17a Hij vroeg hun: ‘Waar lopen jullie toch over te praten?’
Emmaüs was een dorp zestig stadie ten westen van Jeruzalem verwijderd. Dat is omgerekend ongeveer twee uur lopen en ongeveer de afstand van de Klap tot Klaploop die op twee Paasdag in Stadskanaal werd gehouden. Op de weg naar Emmaüs lopen twee wandelaars: Kleopas en zijn zoon Simon. Ze hebben Pesach in Jeruzalem gevierd. En wat is er allemaal wel niet gebeurd in die laatste drie dagen in en rond Jeruzalem. Ze begrijpen het niet, ze hadden hoge verwachtingen van rabbi Jezus, maar Hij is aan het kruis gestorven Verdrietig, ontgoocheld en ongelovig keren zij op de paasmorgen Jeruzalem de rug toe. Het is, schrijft Lucas, diezelfde dag, de dag van de opstanding van Jezus, dat zij al discussiërend en terugdenkend aan wat er is voorgevallen onderweg zijn naar Emmaüs.
Voordat ze er goed en wel erg in hebben zijn ze intussen zo maar in gesprek geraakt met de onbekende vreemdeling die met hen oploopt. Het is, zo zullen ze later ontdekken, Jezus zelf, maar God houdt Zijn hand voor hun ogen zodat zij Hem eerst niet herkennen. Wat opvalt is dat Jezus zelf de leiding van het gesprek overneemt: Hij vraagt, Hij onderwijst, Hij corrigeert. Vanuit de Schriften vertelt Hij over Zichzelf. Want als ze de Schriften gekend, gelezen en geloofd hadden, dan hadden ze kunnen weten dat de Messias al deze dingen heeft moeten ondergaan om alles te herstellen tussen God en de mens.
Inmiddels nadert het drietal, al wandelend niet alleen over de weg, maar ook door de Schriften, het einddoel van hun reis. Jezus doet alsof Hij verder wil reizen. Sterk dringen de twee Emmaüsgangers er bij de onbekende vreemdeling op aan de nacht bij hen door te brengen: ‘Blijf bij ons!’ De onbekende rabbi, die onderweg hen zo heeft bezig gehouden en al hun vragen kon beantwoorden voldoet aan hun klemmende verzoek. Maar eerst een heerlijke maaltijd samen.
Ondertussen is het avond geworden, de dag loopt ten einde. Aan tafel neemt Jezus het brood, zegende het, brak het gaf het hun, en dáár, in dat ogenblik, werden hun ogen geopend: zij herkenden Jezus. Een innerlijke warmte van liefde, geloof en vreugde stroomde door hen heen, daarom was hun hart zo brandend. De sluier wordt voor hun ogen weggetrokken, maar meteen verdwijnt Hij uit hun zicht.
De twee leerlingen hebben geen moment te verliezen, zo snel als ze kunnen gaan ze terug naar Jeruzalem, terug naar de andere leerlingen en de anderen om het goede nieuws te kunnen delen. Ook aan Simon Petrus is Jezus inmiddels verschenen. Wat zullen ze enthousiast zijn geweest, en dankbaar, hun hart zal hebben overgestroomd van zoveel genade. Wat een gesprekstof. Waar het hart vol van is, stroomt de mond van over. En dat zal daar niet anders zijn geweest.
Het geloof van de Emmaüsgangers is door de ontmoeting met Jezus met versterkt en dat niet alleen, ook de getuigenis van de anderen hebben dit bevestigd. Het is waar, het is nu onbetwistbaar zeker, er blijft geen twijfel meer over: De Heer is waarlijk opgestaan!
