Lezen: Matteüs 1: 17 t/m 21   – De Zoon van David
17Van Abraham tot David telt de lijst dus veertien generaties, van David tot aan de Babylonische ballingschap veertien generaties, en vanaf de Babylonische ballingschap tot Christus veertien generaties 18 De afkomst van Jezus Christus was als volgt. Toen zijn moeder Maria al was uitgehuwelijkt aan Jozef maar nog niet bij hem woonde, bleek ze zwanger te zijn door de heilige Geest.19 Haar man Jozef, die een rechtschapen mens was, wilde haar niet in opspraak brengen en dacht erover haar in stilte te verstoten. 20 Toen hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer, die zei: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest.

Het is heel bijzonder dat Jezus ook een familienaam wil dragen. Hij schaamt zich er niet voor om tot de eeuwenoude familie van David te behoren. Dat bleek al voor Zijn geboorte. Eerst kwam de engel Gabriël bij Maria op bezoek om haar te vertellen dat zij een Kind zou ontvangen uit de Heilige Geest. Daarna verscheen een engel van de Heere in een droom aan Jozef, aan wie Maria was uitgehuwelijkt, maar met wie zij nog niet samenwoonde. Jozef wordt door de engel aangesproken als zoon van David,  en moet het kind van Maria aanvaarden en Hem de naam Jezus geven. Zo wordt het Kind Jezus door God in de armen van een zoon van David gelegd.

Voor het Kind uit Bethlehem geldt nu het geslachtsregister van David.  Op een heel unieke manier gaan David, Salomo, Rechabeam enz. tot en met Jozef Jezus’ voorgeslacht vormen (Matt.1: 1 t/m 16). Hoewel Jezus niet is verwekt door een man, adopteert Jezus Zelf de familie van Jozef en wil Hij de zoon van David zijn en heten. Jezus schaamt zich er niet voor Zijn familie die door eigen afdwalingen al eeuwen lang het koningschap heeft verloren.

Jezus hoort bij David vanaf het begin en voor altijd! Vanaf het begin dat Gabriël tegen Maria zei:
‘God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven’ (Lucas 1: 32).  Voor altijd, want in het laatste boek, in het laatste hoofdstuk  van de Bijbel legt Jezus uit: ‘Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om jullie deze dingen bekend te maken voor de gemeenten. Ik ben de telg van David, zijn nakomeling, de stralende Morgenster’ (Openbaring 22:16).

Het volk Israël mocht op grond van oudtestamentische beloften hoge verwachtingen hebben van een nakomeling uit Davids huis. Deze hoop bleef overeind. De Joden wisten dat de Messias komen zou uit het nageslacht van David. Daarom klinkt bij de intocht in Jeruzalem de menigte: ‘Hosanna voor de zoon van David’ (Matt.21:9). Deze juichkreet klinkt later nogeens uit de mond van kinderen: ‘De         hogepriesters en de schriftgeleerden zagen welke wonderen Hij verrichtte en hoorden hoe de kinderen in de tempel ‘Hosanna voor de Zoon van David! riepen’(Matt.21:15). En Jezus laat Zich ondanks de kritiek van de hogepriesters en schriftgeleerden Zich zo noemen en antwoordt hun: ‘Jazeker! Hebt u dan nooit gelezen: ‘Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt U zich lof laten toezingen?’ 

Jezus betrekt hier Psalm 8 op Zichzelf: 2 HEER, onze Heer, hoe machtig is Uw naam op heel de aarde. Uw luister aan de hemel wordt bejubeld 3 door de mond van kinderen en zuigelingen. 

De Zoon van David! Hier is duidelijk iets anders aan de hand dan het vermelden van afkomst en een verre voorvader.  Hier klinkt een Erenaam, een Goddelijke Titel. Langverwachte hoop is vervuld!

Volgende week 14 februari: Heer der heren