Lezen: 1 Samuël 2 – serie: Uw dienaar luistert dl. 2
18 Maar Samuel diende voor het aangezicht van de HEERE. Hij was een jongen, gekleed in een linnen priesterhemd. 19 Zijn moeder maakte van jaar tot jaar een klein bovenkleed voor hem en bracht hem dat, wanneer zij met haar man kwam om het jaarlijkse offer te brengen.
Als Samuel drie jaar oud is, neemt zijn moeder hem mee naar Silo. Als Hanna na een poosje weer naar huis gaat, blijft de kleine Samuel achter om God te dienen in de tabernakel. Dit vraagt vertrouwen van Hanna, want het bewind onder leiding van Hofni en Pinehas, de zonen van Elis is niet best.
Hofni en Pinehas worden ‘verdorven mannen’ genoemd. Dit heeft te maken met het feit dat ze de Heere niet kennen. Ze waren opgegroeid met de wetten van Mozes en als priesters wisten ze hoe God gediend wilde worden in de tabernakel. Ook al hadden zij van God gehoord, toch kenden zij Hem niet. God kennen betekende in het Oude Testament, met Hem omgaan, God kennen is Hem erkennen in het leven van alledag. Hofni en Pinehas wilden God niet kennen en dachten alleen aan zichzelf.
In Samuel 2 lezen wij hoe het er aan toeging in de tabernakel. God had bepaald dat de priesters een deel (het borststuk en de rechterachterbout), van het offervlees kregen. Maar de zonen van Eli dachten hier heel anders over. Als het vlees in de grote pan kookte, dan kwam de knecht van de priester met een grote vork, en prikte er zoveel mogelijk vlees uit en nam dat mee naar de priesters. Zo werden de mensen, die dachten een offer te brengen aan God, bestolen. Ook gebeurde het dat de priesters het vet van het vlees opeisten dat voor God bestemd was omdat de priesters die dag geen zin hadden in rauw vlees. Op deze manier werd zelfs God bestolen. En wie tegenstribbelde: ‘dat je van mijn vlees neemt, vooruit, maar geef God in ieder geval wat Hem toekomt’. werd bedreigd met geweld.
In deze omgeving groeide Samuel dus op. Maar de jonge Samuel diende voor het aangezicht van de Heere. Zo klein als hij was, hielp hij mee in de tabernakel. Hij droeg een priestermantel en elk jaar als zijn moeder op bezoek kwam, nam ze een klein, nieuw bovenkleed voor hem mee. Ongetwijfeld hebben de werkzaamheden van Samuel gepast bij zijn leeftijd. Hij kon bijvoorbeeld een kaars aansteken, een schaal vasthouden, of een boodschap doen en een deur sluiten. Op deze manier heeft Samuel van jongs af aan meegedaan in de dienst van God. Het woord ‘dienen’ heeft te maken met ‘bemiddelen’. Als het volk in de tabernakel was, dan trof het, naast Hofni en Pinehas, ook deze kleine man, die handelde namens God. In zijn manier van optreden zagen de mensen iets van God. Samuel was een hoopvol teken in een donkere wereld en was een jonge bemiddelaar.
Als Hanna en Elkana jaarlijks op bezoek kwamen, dan werden ze door de Heere gezegend. Eerst kon Hanna geen kinderen kon krijgen, na Samuel ontvangen Hanna en Elkana nog drie zonen en twee dochters. Terwijl Hanna’s oudste zoon opgroeit in dienst van God, mag Hanna haar andere kinderen thuis zien opgroeien.
Ondertussen maken Hofni en Pinehas er een puinhoop van. Ze slapen met vrouwen die ook dienst doen in de tabernakel. Waarschijnlijk waren deze vrouwen betrokken bij het schoonhouden en onderhouden van de tabernakel. Eli spreekt zijn zonen op dit onzedelijk gedrag aan. Maar zijn optreden is niet erg overtuigend en daadkrachtig. Maar God laat niet met Zich spotten.
Samuel krijgt steeds meer aanzien en gunst bij de Heere. Hij groeit op, en leert steeds meer over de Heere en raakt steeds meer betrokken bij Zijn dienst. Samuel wordt gevormd. De bezoekers van de tabernakel kwamen aan de ene kant de zonen van Eli tegen, en aan de andere kant Samuel, een opgroeiende jongen die vol eerbied met de dienst van God omging.
Want Samuel is gericht op God, dat kleurt zijn leven en dat mag ook ons leven kleuren…
