Lezen: Genesis 20: 1 t/m 18 Abraham dl. 10: Abraham en zijn eigen ik.
1 Abraham brak op en trok naar de Negev, waar hij tussen Kades en Sur ging wonen. Toen hij vervolgens als vreemdeling in Gerar verbleef, 2 zei hij van zijn vrouw Sara dat ze zijn zus was. Het gevolg was dat Abimelech, de koning van Gerar, Sara naar zijn paleis liet overbrengen. 3 Maar ’s nachts verscheen God in een droom aan Abimelech en zei tegen hem: ‘Je bent ten dode opgeschreven omdat je die vrouw naar je paleis hebt gehaald: ze is getrouwd.’ 4 Nu had Abimelech nog niet met haar geslapen. ‘Heer,’ riep hij uit, ‘wilt U dan mensen doden terwijl ze onschuldig zijn?
In Genesis 19 hebben we gelezen hoe Abraham uitkeek over Sodom en Gomorra en hoe hij over de hele vallei, dikke rookwolken zag. Het oordeel was gevallen, maar God heeft rekening gehouden met Lot, vanwege Abraham, die zo indringend had gebeden.
En nu is Abraham opnieuw onderweg. Gerar staat Abraham blijkbaar wel aan en hij verblijft daar als vreemdeling. Gerar was een belangrijke handelsstad op de grens van Egypte en heeft ook een koning, Abimelech genaamd. Het is een reden voor Abraham om in paniek te raken. Het is een raadsel waarom Abraham in paniek raakt en kenbaar maakt dat Sara zijn zus is. Waarom doet Abraham dit? Heeft hij nog niks geleerd? Is het omdat hij inmiddels een welvarende man is met een omvangrijke karavaan aan mensen en bezittingen? Is het vanwege de schoonheid van Sara? Het lijkt een ingesleten patroon: Toen God mij ver van mijn verwanten liet rondzwerven, zei ik dan ook tegen haar: ‘Bewijs me een dienst en zeg overal waar we komen dat ik je broer ben’ (vs. 13). Overal, het is dus vaker dan één of twee keer gebeurd. Het is onbegrijpelijk, zeker als je bedenkt dat Abraham weet dat over een aantal maanden zijn zoon geboren zal worden. De kans is zelfs groot dat Sara op dit moment al zwanger is. Het is alsof Abraham zijn vrouw, zijn toekomstige zoon, zijn toekomst te grabbel gooit.
God grijpt in, want God laat nooit los wat Zijn hand eens begon. Abimelech krijgt een droom. Maar hoe weet Abimelech dat dit de God van Abraham is? De koning weet zelfs hoe hij terug moet praten tegen God. Bovendien, God antwoordt terug. Wat is er hier aan de hand?Opnieuw gaat het om gerechtigheid. Schitterde Abraham als rechtvaardige in Gen. 18 en 19, nu is de Abimelech de rechtvaardige, die werkelijk een zuiver geweten heeft. Hem treft geen blaam. Zijn onschuld wordt door God bevestigd. De koning krijgt de opdracht om Sara terug te geven aan haar man.
De volgende morgen roept Abimelech zijn dienaren bij zich en vertelt wat er is gebeurd. De schrik zit er meteen goed in bij iedereen. In het paleis hebben ze wél ontzag voor God. Terecht moet Abraham op het matje van de koning komen en vertellen waarom hij vertelde dat Sara Abrahams zus was. Alle bewondering voor Abimelech, hij laat zelfbeheersing zien en is grootmoedig tegenover de man die hem problemen heeft bezorgd. Door Abraham hangt er een wolk van onheil boven Gerar.
De koning stelt een terechte vraag: ‘Met welke bedoeling hebt u dit gedaan?’ Abraham antwoordt: ‘Misschien heeft men in deze streken geen ontzag voor God en zullen ze me doden om mijn vrouw.’ Met andere woorden, de angst van Abraham was de drijfveer. Abraham had zijn conclusie al klaar. Maar de werkelijkheid is dat Abimelech meer ontzag voor God heeft, dan Abraham. Abraham staat dan ook met de mond vol tanden en bekent dat hij Sara de opdracht had gegeven dat overal waar zij kwamen, Sara moest zeggen dat zij Abrahams zus was. Tussen Abimelech en Abraham zijn de dingen goed uitgesproken. Abimelech is loyaal, en geeft Abraham schapen, geiten, runderen, slavinnen en geeft natuurlijk Sara terug. Mijn land ligt voor u open, zegt koning Abimelech. Hoe vergevingsgezind is deze koning. ‘Het Beloofde Land ligt voor u open, zegt de Hemelse Koning, want God roept, ook u!
