Lezen: Genesis 11: 27 t/m Genesis 12: 8  Abraham dl. 1: God roept
Gen. 11: 31 
En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, zijn kleinzoon, de zoon van Haran, en Sarai, zijn schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram, en zij trokken met hen uit Ur van de Chaldeeën om naar het land Kanaän te gaan; en zij kwamen tot Haran en bleven daar wonen.
Gen. 12: 1
De HEERE nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal. 2 Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn. 3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.

In Genesis wordt alles in beweging gezet. In een rap tempo worden we meegevoerd in de geboorte van de wereld, de eerste mens en vanuit het het eerste gezin naar de volksstammen.  We komen veel geslachtsregisters tegen, het leven spat van de bladzijden. Het verhaal van Abram begint als nakomeling van Sem (zoon van Noach), het negende geslacht. De vader van Abram is Terah. Misschien denken we nu dat Terah de Heere wel aanroept, maar helaas.

Terah woont met zijn gezin in Ur, een stad van de Chaldeeën, vlakbij de toren van Babel. In Ur werden de zon, maan en de sterren aanbeden in plaats van de Schepper van hemel en aarde.  Jozua spreekt hier later over: ‘Toen zei Jozua tegen heel het volk: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Aan de overzijde van de rivier hebben uw vaderen van oude tijden af gewoond, [namelijk] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend. (Jozua 24: 2)

Terah besluit om Ur, een bruisend centrum van ontwikkeling, macht en politiek achter zich te laten en op reis te gaan naar Kanaän. Waarom hij dit besluit nam lezen wij niet in de bijbel, het trieste is dat hij op weg gaat, onderweg blijft steken in Haran en dus nooit aankomt in Kanaän. Terah sterft in Haran. Hoe moet het nu verder met dit gezin?

Onder deze omstandigheden wordt Abram geroepen door God: Abram moet vertrekken uit Haran, alles achter zich laten, zelfs zijn familie. En dat was nogal wat, in het oude Midden-Oosten bepaalde de familie wie je was, maar de familie was ook je sociale zekerheid, je bescherming,  je alles. Zelfs uit het huis van zijn vader werd Abram geroepen. Alles wat het leven van Abram bepaalt, alles moet achterblijven. Alles! Hij wordt weggeroepen uit de puinhopen van de wereld die Abram kent. Want vanuit de wereld kan geen oplossing komen voor de gevallen mensheid. Dat is de reden waarom Abram apart wordt gezet om een bron van zegen te zijn voor alle volken.

In Gen. 12: 1 t/m 3 wordt het woord zegenen maar liefst drie keer herhaald. Het onderstreept het verlangen van God. Hij wil alle volken zegenen en Zijn schepping tot bloei brengen. Daarom begint God opnieuw met één met het oog op allen.  De Ene roept de eenling! Iedereen zal gezegend worden door Abram heen, want dit is wie God is.  Hij is een goede God, een zegende God, een God die roept. Iedere zondag worden wij hieraan herinnert als wij door de voordeur de kerk binnengaan: God roept, ook u! Omdat God óók ons wil zegenen.

Zo begint de reis van Abram. Zijn roeping is op een bijzonder moment in het grote verhaal van Gods heilsplan. Dat God roept betekent dat Hij niet ver weg is, maar dat Hij een persoonlijke God is die ervoor gekozen heeft om Zich bekend te maken en ernaar verlangt dat wij Zijn roep beantwoorden evenals Abram Zijn roep heeft beantwoord.  God roept, ook u!