Lezen: Handelingen 2: 29 t/m 32 – Zoon van David
29 Volksgenoten, u zult mij wel toestaan dat ik over de aartsvader David zeg dat hij gestorven en begraven is; zijn graf bevindt zich immers nog steeds hier. 30 Maar omdat hij een profeet was en wist dat God hem onder ede beloofd had dat een van zijn nakomelingen zijn troon zou bestijgen, 31 heeft hij de opstanding van de Messias voorzien en gezegd dat Deze niet aan het dodenrijk zou worden overgeleverd en dat Zijn lichaam niet tot ontbinding zou overgaan. 32 Jezus is door God tot leven gewekt, daarvan getuigen wij allen.
Het is heel bijzonder dat Jezus Christus, geboren uit de maagd Maria, ook een familienaam wil dragen. Hij schaamt zich er niet voor tot de eeuwenoude familie van David te behoren. We weten dat een engel aan Jozef verscheen en hem aansprak met ‘zoon van David’ ( Matt 1:20). Vervolgens zegt de engel dat Jozef niet bang hoeft te zijn, het kind moet aanvaarden en dat hij Hem de naam Jezus moet geven.
Niet alleen Jozef komt uit het geslacht van David, maar ook Maria. Er zijn twee lijnen, een wettelijke en een natuurlijke. De wettelijke lijn afkomstig uit het geslacht van David is door Jozefs huwelijk met Maria. Davids zoon Salomo was een voorvader van Jozef.
De natuurlijke lijn afkomstig uit het geslacht van David begint bij Nathan, de derde of vierde zoon van David en Batseba. Nathan is dus de jongere broer van Salomo. De naam Nathan zou een eerbetoon zijn aan de profeet Nathan. Zoon Nathan is dus een voorvader van Maria.
Natuurlijk waren er in de tijd van Nieuwe Testament veel mensen die op de een of andere manier hun geslachtslijn terug konden voeren op een van de andere nakomelingen van vader David. Ook Jezus’ eigen broers mochten zich eigenlijk ook als zonen van Jozef ‘zonen van David’ noemen. Bijzonder is dat alleen bij Jezus de lijn naar David wordt geactiveerd. Alleen rond Jezus klinkt regelmatig de benaming ‘zoon van David’ . Blinden gebruiken die naam om Jezus aan te roepen (Matt. 9: 27) En bij de intocht in Jeruzalem roept de menigte: ‘Hosanna voor de zoon van David!’ (Matt. 21:9).
Het is duidelijk dat hier iets anders aan de hand is dan het vermelden van afkomst en verre voorvader. Hier klinkt een erenaam, een titel. Langverwachte hoop wordt vervuld! Het volk Israël mocht op grond van veel oudtestamentische beloften hoge verwachtingen hebben van een nazaat uit Davids huis. Bij het begin van de Babylonische ballingschap was er al een einde gekomen aan het koningschap van David. Het nageslacht van David was al eeuwen zonder betekenis en vrijwel vergeten. Een ‘nazaat van David’ te zijn, was geen vermelding meer waard. Desondanks bleef de hoop overeind dat de oude beloften zouden leiden tot een verlossende Koning uit het nageslacht van David. Bovendien, de Heere had reeds aan David zelf beloofd, dat zijn ‘troon vast zou staan voor altijd’ (2 Samuël 7,10-16).
In het Oude Testament vinden we veel herinneringen aan deze belofte. Zo smeekt de dichter Etan in Psalm 89 of de HERE aan Zijn beloften wil blijven denken, nu het slecht gaat met de koninklijke familie. Daarnaast profeteren profeten dat een toekomstige zoon van David ver zal uitstijgen boven zijn voorvader. In Psalm 110:1 lezen we dat Davids zoon ook Davids Heer zal zijn. Het zijn al deze beloften die de hoop levend hielden, waardoor eeuwen later bij Jezus opeens het Hosanna losbreekt. Eindelijk dan toch: De zoon van David!
De apostelen op hun beurt dragen deze naam de wereld in als evangelie. Het wordt een belijdenis: Jezus is De zoon van David! Al op de Pinksterdag zegt Petrus duidelijk tot de Joden dat door de opstanding van Jezus uit de doden de beloften aan David in Psalm 16 zijn vervuld (Hand.2: 29 t/m 32) Vervolgens stemmen wij zingend in:
Glorie, glorie! Nimmer kan het eeuwig woord des Heeren falen.
Glorie, glorie! ‘k Sta vast op de beloften van mijn God.
