Lezen: Jona 1
9  Jona antwoordde: ‘Ik ben een Hebreeër en ik vereer de HEER, de God van de hemel, de God die de zee en het land gemaakt heeft.’ 10 De mannen werden doodsbang, en toen ze van hem hoorden dat hij was weggevlucht van de HEER, zeiden ze tegen hem: ‘Hoe heb je dat kunnen doen?’

Jona heeft dit verhaal zelf verteld na zijn terugkeer uit Ninevé. Hij leeefde in de eerste helft van de achtste eeuw voor Christus. Dat de Heere een God is met een grenzeloze barmhartigheid, niet alleen voor ons, maar ook voor hen, staat centraal.  Het doel van het boek Jona is dan ook: nadenken over Gods barmhartigheid.  De naam Jona  is afgeleid van de Hebreeuwse naam ‘Yonah’, wat duif betekent. Vanuit het Hebreeuws betekent duif:  kermer of klager.

Jona wordt een profeet genoemd, een boodschapper van God. Een profeet, dat was een strijder voor rechtvaardigheid en waarheid. Iemand die opkwam voor de armen en onderdrukten. Profeten waren voor niets en niemand bang. Het waren vaak eenlingen, ze liepen zomaar binnen bij koningen en machtshebbers om ze eens goed de les te lezen. Bovendien was Jona afkomstig uit Israël.  Jona stelt zichzelf voor: Ik ben een Hebreeër. Hij behoorde tot het uitverkoren volk van God.  En nu moet deze man naar Ninevé. Ninevé was een tijdlang de hoofdstad van Assyrië, het tegenwoordige Irak. Assyrië was een oorlogszuchtig rijk. Het had Israël ook onderdrukt. Het was enorm wreed en begin tal van oorlogsmisdaden: moorden, verkrachtingen, slavernij, onderdrukking.

Jona wordt naar Ninevé gestuurd om te prediken.  De reden voor deze opdracht is dat het kwaad van de stad voor God niet verborgen is gebleven. Nu was het heel ongewoon dat een profeet als bode naar een heidense stad werd gezonden.  Maar God,  als Schepper van hemel en aarde, is diep geïnteresseerd in het heil van heel Zijn schepping.  Het lot van Ninevé kan Hem niet koud laten.
Jona, sta op, ga naar de grote stad Ninevé. Jona staat inderdaad op en vlucht weg van het aangezicht van de Heer. Hij vlucht naar Tarsis. (Zuiden van Spanje) Dit reisdoel wordt het uiterste van de aarde genoemd. Het ligt precies de andere kant op.  Jona, de ongehoorzame profeet, vertrouwt het niet helemaal. Hij weet als profeet dat God weleens vaker allerlei oordelen en rampen aankondigt en dan toch de hand over Zijn hart strijkt. Jona gaat niet, omdat hij vermoedt dat de slechte mensen niet gestraft zullen worden.

Natuurlijk loopt de vluchtpoging van Jona op niets uit. Misschien is hij ook wel bitter geworden. Hij komt op een schip terecht vol heidenen, die in andere goden geloven en andere normen en waarden hebben. Een groot storm breekt los met enorme golven, alles kraakt en iedereen schreeuwt het uit. Nou ja, bijna iedereen. Terwijl de bemanning, ieder voor zich,  hun eigen god aanroepen, is Jona in diepe rust, hij slaapt in alle rust en vertrouwen. Want Jona vereert de ware God, de God van hemel en aarde. Tenminste dat zegt hij. Maar Jona heeft eigenlijk hetzelfde probleem. Als Jona werkelijk op God zou vertrouwen, als God voor hem werkelijk de God van hemel, zee en aarde zou zijn, dan zouden Israël en Ninevé voor hem allebei een stukje van Gods schepping zijn. Dan ligt de wereld in Gods handen en niet in die van de mens.

Ondertussen roeien de matrozen uit alle macht om weer aan land te komen. Tevergeefs. Terwijl de mannen vechten tegen de storm geeft Jona zich over aan God. Jona heeft het begrepen: de mens wikt, maar God beschikt. Jona weet dat hij de oorzaak is van de storm en moedigt de mannen aan om hem overboord te gooien. De mannen zullen hebben beseft dat de God van Jona een machtige God is.
Jona word opgetild en overboord gegooid en de woeste zee bedaarde. De mannen hadden een diep ontzag voor de HEER. Ze brachten Hem een offer en deden Hem geloften. God had het verschil gemaakt in het leven van deze mannen, zoals Hij ook het verschil mag maken in ons leven van iedere dag…