Lezen Johannes 12: 1 t/m 8 – Wederliefde
1 Zes dagen voor Pesach ging Jezus naar Bethanië, waar Lazarus woonde, die Hij uit de dood had opgewekt. 2 Daar hield men ter ere van Hem een maaltijd; Marta bediende, en Lazarus was een van de mensen die met Hem aanlagen. 3 Maria nam een kruikje vol kostbare, zuivere nardusolie, zalfde daarmee de voeten van Jezus en droogde ze af met haar haar. De geur van de olie trok door het hele huis.
Het is een paar dagen voor Goede Vrijdag. In het kleine, vriendelijke dorpje Bethanië is Jezus met Zijn discipelen te gast in het huis van Simon de melaatse. De man is dankbaarheid voor zijn genezing en biedt hen een welverzorgde maaltijd aan. Er zijn nog een paar genodigden. De bedrijvige Martha loopt er rond om te bedienen. Ook Lazarus is aanwezig. Nog maar zo kort geleden is hij door Jezus uit de dood opgewekt, Lazarus is het toonbeeld van Christus’ almacht en genade.
En terwijl de vijanden van Jezus druk discussiëren over de vraag hoe ze Jezus uit de weg kunnen ruimen, is Maria, de zus van Lazarus, bezig om zonder woorden haar liefde voor Jezus te laten zien. Wat had deze vrouw Jezus lief. Altijd was ze te vinden aan Zijn voeten. Ze was niet bij Hem vandaan te slaan. En wat heeft deze bescheiden vrouw daar ontzettend veel van geleerd. Als Jezus bij hen in Bethanië logeerde, zat Maria vaak stil te luisteren aan Zijn voeten. Als Hij sprak, hing ze aan Zijn lippen. Zo was de liefde tot Jezus diep in haar hart gekomen. De diepe betekenis van Jezus’ woorden is Maria niet ontgaan. Herhaaldelijk heeft ze Hem horen spreken over Zijn zware lijdensweg. Ze heeft de woorden bewaard in haar hart en was er in gedachten voortdurend mee bezig. Maria heeft de laatste tijd, vooral na de opwekking van haar broer Lazarus, de felle bittere haat tegen Jezus zien flikkeren in de ogen van de overpriesters en farizeeën. De angst bekruipt haar dat Jezus’ lijden en dood nu dichtbij gekomen zijn. Heel graag wil ze nog haar innige liefde voor Jezus tonen. Ze wil iets gaan doen waar ze heel haar hart in kan leggen. Lang heeft ze gespaard en telkens iets weggelegd voor de uitvoering van haar plan.
Maria komt de feestzaal binnen. In haar hand houdt ze een albasten flesje met heerlijk geurende, onvervalste zuivere nardusolie. Het flesje alleen al was erg kostbaar. Zulke flesjes waren sierlijk bewerkt en hadden een nauwe halsopening, zodat je van die dure nardus heel voorzichtig een enkel druppeltje op jezelf of op iemand anders kon laten vallen, net als parfum. Albast was een heel kostbare, lichtgele, doorzichtige marmersoort. Nardus was ook duur. De waarde van een pond nardus was ongeveer te vergelijken met het jaarsalaris van een arbeidskracht.
Maria loopt recht op Jezus af, breekt de hals van het albasten flesje. Het gebroken flesje is een symbool voor haar gebroken hart, haart hart vol overgave vloeit uit… Maria giet de inhoud van het hele flesje in één keer op het hoofd van de Heere Jezus en ook verder over Zijn lichaam tot zelfs over Zijn voeten, zodat Jezus opeens helemaal omgeven is met de geur van de nardus. Ze laat de hele fles leegstromen over haar geliefde Meester. Zo lief heeft Maria Jezus.
Als ze Jezus heeft gezalfd met de geurige nardusolie, knielt ze voor Hem neer, ze maakt haar haarvlecht los en ze droogt met haar haren Zijn gezalfde voeten. Deze voeten zullen straks doorboord worden en het gezalfde hoofd van Jezus zal met dorens gekroond worden. Maar nu nog niet, nu is er enkel liefde en oprechte dank. Maria beseft: Jezus is haar Zaligmaker. Maria zegt niets, in aanbidding ligt ze daar geknield aan Jezus’ voeten. Alles om haar heen geurt naar haar dienende en offerende liefde. Jezus is het waard. Maria zalft Jezus vlak voor Zijn sterven. Ze doet dit niet in een plotselinge opwelling. Haar liefde is wederliefde…
