Lezen: Johannes 21: 1 t/m 14: Het wonder bij de zee van Tiberias
1 Hierna openbaarde Jezus Zich opnieuw aan de discipelen, aan de zee van Tiberias.
4 En toen het al ochtend geworden was, stond Jezus aan de oever, maar de discipelen wisten niet dat het Jezus was. 5 Jezus dan zei tegen hen: Lieve kinderen, hebt u niet iets voor bij het eten? Zij antwoordden Hem: Nee. 6 En Hij zei tegen hen: Werp het net uit aan de rechterkant van het schip en u zult vinden. Dus wierpen zij het uit en zij konden het niet meer trekken vanwege de grote hoeveelheid vissen. 7a De discipel dan die Jezus liefhad, zei tegen Petrus: Het is de Heere!
Het is een heel verrassende ontmoeting aan de zee van Tiberias tussen de opgestane Heere en Zijn discipelen. Maar ze herkennen hun Jezus niet, voor hen is Hij een vreemdeling. Het is al een poosje geleden dat ze Jezus hebben gezien. Het gewone leven vraagt zijn aandacht. Simon Petrus neemt het initiatief om weer te gaan vissen. Van hem en van Johannes en Jacobus is bekend dat zij van beroep vissers waren; zij hadden hun werk achtergelaten om Jezus op Zijn uitnodiging te volgen. Nu het niet meer mogelijk is om met Jezus samen op te trekken moeten ze toch weer in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien, dus nemen zij hun oude beroep weer op en gaan aan het werk. Het geeft iets vertrouwds, zeker als een gebeurtenis je leven heeft ontregeld. Ze denken terug te gaan naar hun oude leven. Maar de praktijk is anders.
Dit ervaren ook de discipelen. Het hele visgebeuren is een grote teleurstelling. Ze vangen niets. Als ze na een lange nacht van hard werken nog met lege handen staan is er ook nog een Vreemdeling die om eten vraagt. Je krijgt de indruk dat de discipelen Hem nogal kortaf hebben geantwoord: Nee! Ze hebben niets gevangen en hebben de Vreemdeling ook niets te bieden.
En dan gebeurt er iets wat ze totaal niet hadden verwacht. De Vreemdeling spreekt hen aan, geeft hen zelfs een opdracht. Ze moeten het net aan de rechterkant van het schip uitwerpen. Daarbij belooft de Vreemdeling dat ze dan zullen ‘vinden’, nl. waar zij de hele nacht naar hadden gezocht en waar hij Zelf naar had gevraagd: vis. Nog steeds herkennen ze Jezus niet. Dan blijkt dat aan de rechterkant van het schip een grote school vissen zwemt. Het net blijkt zó zwaar te zijn vanwege de grote hoeveelheid vissen (153 stuks!), dat de discipelen niet eens sterk genoeg zijn om het net aan boord te hijsen.
Pas dan wordt Jezus herkend. Eén van de discipelen ziet in dat het wonder van deze omvangrijke en onverwachte visvangst door die Vreemdeling op het strand is gekomen. Dat kan maar één ding betekenen: het is Jezus! Wat een vreugde, maar ook verwondering.
Als Petrus dit beseft wil hij snel mogelijk naar Jezus toe, gauw maakt hij zijn kleding in orde. Johannes vertelt dat de afstand tussen de boot en het strand op dat moment ‘nog maar’ ongeveer 200 el was. Aangezien de (Joodse) el zo’n 50 centimeter was, bedroeg die afstand nog ongeveer 100 meter.
Eenmaal op het strand zien de discipelen dat Jezus al een kolenvuur heeft aangelegd met daarop vis en brood. Opnieuw een wonder, Jezus die eerst een vraag stelt of de discipelen iets te eten hadden, waarna Hij Zelf daarin op wonderbare wijze voorziet. Op de vraag waar deze vis en brood vandaan komt is maar één antwoord mogelijk: Het is immers de Heere! En nu zitten ze samen rondom Jezus. Het is als vroeger, en toch is het anders. Niemand durft te vragen wie Hij is. Hun schroom om Jezus openlijk te vragen heeft te maken met het feit ze diep in hun hart beseffen dat het de Heere is.
Als Gastheer deelt Jezus het voedsel uit aan Zijn discipelen. Het samen eten is heel intiem, het is een teken van gemeenschap. Tegelijkertijd wil Jezus duidelijk maken dat de discipelen afhankelijk zijn van Hem, maar óók dat Jezus zal voorzien in datgene wat nodig is voor hun bediening. Eeuwen laten is er nog niets veranderd: het is de Heere, en de Heere zal altijd voorzien…
