Lezen: 1 Samuel 8 – serie: Uw dienaar luistert dl. 4
5 De oudsten zeiden tegen hem: Zie, u bent oud geworden en uw zonen gaan niet in uw wegen. Stel daarom een koning over ons aan om ons leiding te geven, zoals alle volken . 6 Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons leiding te geven, was dit woord kwalijk in de ogen van Samuel. En Samuel bad tot de HEERE. 7 Maar de HEERE zei tegen Samuel: Geef gehoor aan de stem van het volk in alles wat zij tegen u zeggen; want zij hebben ú niet verworpen, maar Míj hebben zij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zou zijn.
In 1 Sam. 4 lezen wij hoe God het oordeel voltrekt over het huis van Eli. Israël is ten strijde getrokken tegen de Fillistijnen. Het volk heeft de ark meegenomen in de strijd en denkt op deze manier te kunnen winnen. Maar het gaat anders, ze verliezen en de ark komt in handen van de Filistijnen. In deze strijd sterven Hofni en Pinehas. Als Eli dit bericht hoort, valt hij van zijn stoel, breekt zijn nek en sterft. De ark zorgt in het land van de Filistijnen voor veel ellende (1 Sam. 5). Sommigen worden getroffen door gezwellen en anderen sterven. Ook het beeld van Dagon valt aan gruzzelementen. Tenslotte besluiten de Fillistijnen de ark terug te sturen. (1 Sam. 6). De ark komt terecht in Kirjath-Jearim. Twintig jaar later begint het volk te klagen tot God. (1 Sam.7). Samuel roept het volk op zich te bekeren. Israël luistert, maakt een nieuw begin en vraagt aan God hen te helpen. Op dat moment worden zij aangevallen door de Fillistijnen, maar door een onweersbui brengt God bij de Filistijnen verwarring en geeft op deze manier Israël de overwinning. Samuel plaats een gedenkteken na deze overwinning met de naam: Eben Haëzer – Tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen. De rust keert terug in het land en Samuel geeft als profeet leiding aan het volk.
Sinds de oprichting van de gedenkteken Eben Haëzer zijn er jaren verstreken. Al die tijd heeft Samuel God vertegenwoordigd en het volk met raad en daad bijgestaan. Inmiddels is hij oud geworden en heeft Samuel zijn zonen Joël (de Heere is God) en Abia (mijn vader is de Heere) aangesteld als richters. De namen getuigen van het geloof van Samuel. Ook hierin zien wij hoe hij leeft met God en in afhankelijkheid leeft met God. Bij Joël en Abia ligt dit anders. Zij gaan andere wegen. Ze zijn hebzuchtig en nemen steekpenningen aan. Bij hen kun je je eigen gelijk kopen.
Dan komen de oudsten van het volk bij Samuel. Ze confronteren Samuel met het feit dat hij oud is, en zijn zonen anders zijn en doen dan hun vader. Dit is uiterst pijnlijk voor Samuel, maar de oudsten hebben gelijk, wat Joël en Abia doen is niet goed en dat mag ook niet doorgaan. De oudsten hebben een dringend voorstel: ze willen een koning, zoals ook de andere volken dat hebben. Hun vraag is niet: ‘Wat wil God dat wij in deze omstandigheden zullen doen? Zonder God er bij te betrekken is het voor hen glashelder: ze willen een koning!
Samuel vindt dit geen goed plan en bidt tot God. Uit het antwoord dat God geeft blijkt dat het niet om Samuel gaat, maar dat het volk de Heere heeft verworpen. Opvallend genoeg zegt God dat Samuel moet doen wat het volk van hem vraagt.
Samuel zet de gevolgen van een koningschap duidelijk neer. (vs.11 t/m 18). Maar de oudsten laten zich niet afbrengen van hun voorstel. Ze willen een koning evenals andere volken. Een koning dat leiding geeft in tijden van oorlog. Hierin zit de zonde van de oudsten. Ze verwachten het niet in de strijd van God, maar van een menselijke koning. Samuel citeert Mozes door te zeggen dat een koning de Heere moet vrezen. Maar zo’n koning hebben de oudsten niet in gedachten. Daarom spreekt God van afgodendienst (vs8). Samuel moet een koning aanstellen en het volk zal moeten leren dat een koning, zonder God, geen zegen met zich meebrengt. De tijd zal altijd leren…
