Lezen: Jona 2 – Jona in de vis
1 De HEER liet Jona opslokken door een grote vis. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de vis.2  Toen begon hij in de buik van de vis tot de HEER, zijn God, te bidden: 3a ‘In mijn nood riep ik de HEER aan en Hij antwoordde mij

Aan Jona’s verblijf in de buik van de vis wordt tegenwoordig getwijfeld. Al hebben Bijbelgetrouwe uitleggers  hun best gedaan om te bewijzen dat er zulke grote vissen voorkomen in de Middellandse Zee. We moeten denken aan potvissen of walvishaaien. Deze vissen hebben een keelopening die groot genoeg is om een mens door te slikken. We kunnen ons afvragen of het echt mogelijk is dat er iemand drie dagen en drie nachten in de buik van de vis het kan uithouden. Of er wel voldoende zuurstof is in het spijsverteringskanaal en dat het zuur van de vissenmaag helemaal niet zo sterk hoeft te zijn dat een mens daaraan dood gaat.  Als de Bijbel het omgekeerde had gezegd, dat niet Jona in de buik van de vis maar dat de vis in de buik van Jona had gezeten, hadden we dat meteen geloofd. Is dat niet raar? Het komt dat een mens van alles wil beredeneren, maar uiteindelijk gaat het om geloof. Het brengt ons bij de kern van het evangelie, Jezus zegt in Matt. 12: 40: ‘Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van een grote vis zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verblijven.’ En als Jezus dit heeft gezegd, wie zou dan het tegendeel durven beweren?

Jona vertelt na zijn terugkeer uit Ninevé niet over zijn moeilijke momenten in de buik van de vis, maar wel dat hij begon te bidden. Jona die weigert zelf een instrument van redding en bevrijding voor anderen te zijn, roept nu zelf om redding. Opvallend is dat Jona de eerste woorden uit psalm 120 citeert:
In mijn angst heb ik tot de Heere geroepen en Hij heeft mij geantwoord. Jona zit in een ernstige crisis.
Jona bidt verder met de woorden uit de psalmen die zo levend zijn geworden voor hem:
Ps. 18: 5 Banden van de dood hadden mij omvangen, beken van verderf joegen mij angst aan
Ps. 42:8 Watervloed roept tot watervloed, terwijl Uw waterkolken bruisen; al Uw baren en Uw golven, zijn over mij heen gegaan
Ps. 46: 3 Daarom zullen wij niet bevreesd zijn, al veranderde de aarde van plaats en werden de bergen verzet naar het hart van de zeeën
Ps. 88: 7 U hebt mij in de onderste kuil gelegd, in duistere oorden, in diepten.
Maar indrukwekkend is dat Jona in vs 10  het volgende bidt: ‘maar ik zal mijn stem in dank verheffen en U offers brengen; mijn geloften los ik in. Het is de HEER die redt!’

Wat een vertrouwen van iemand die drie dagen in de buik van een vis doorbrengt en op dat moment niet weet dat hij uitgespuugd zal worden. Dit vertrouwen zal Jona door de HEERE zijn gegeven. 
Toen sprak de HEERE tot de vis, en hij spuwde Jona uit op het droge (HSV vs.10). De Heere spreekt tot de vis in plaats van tot Jona. Ook dit feit zal diep tot Jona zijn doorgedrongen.
In ieder geval is Jona gekneed in de vis. Eigenlijk is het boek Jona een klein reisverhaal binnen een veel groter reisverhaal. Een reisverhaal heeft altijd twee kenmerken. Aan de ene kant heb je altijd het hoge doel, de grote reis zelf. Aan de andere kant gebeuren er heel veel dingen onderweg. Waar reisverhalen altijd om draaien is dat mensen die op reis gaan, klaargemaakt worden voor het grote doel. Het doel ligt niet alleen aan het eind, als de finale in zicht komt, maar het grote doel wordt ook onderweg al zichtbaar doordat de reizigers veel leren, ervaringen opdoen, Het grote doel werpt zijn schaduw vooruit voor mensen die onderweg zijn. 
Ondertussen is er niets veranderd omdat het evangelie niet verandert. Ook wij zijn onderweg naar het Grote Doel, en dat mag zichtbaar zijn tijdens onze reis daar naar toe, dwars door alles heen.