Lezen: Genesis 22: Abraham dl. 12: God voorziet
9 Toen ze waren aangekomen bij de plaats waarover God had gesproken, bouwde Abraham daar een altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, op het hout. 10 Toen pakte hij het mes om zijn zoon te slachten. 11Maar de engel van de HEER riep vanuit de hemel: ‘Abraham, Abraham!’ ‘Ja, ik luister,’ antwoordde hij. 12 ‘Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet Ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt Mij je zoon, je enige, niet willen onthouden.’
13  Toen Abraham om zich heen keek, zag hij achter zich een ram, die met zijn hoorns verstrikt was geraakt in de struiken. Hij pakte het dier en offerde dat in de plaats van zijn zoon.

Eén ding typeert het leven van Abraham: contstant draait het om vertrouwen. Keer op keer staat Abraham voor de keuze en met vallen en opstaan heeft hij geleerd om op God te vertrouwen. In Genesis 22 volgt de allergrootste test van zijn vertrouwen in God.  God roept Abraham, en Abraham antwoordt: ‘Hier ben ik’, of afhankelijk van de vertaling, ‘Ja, ik luister.’  En dan volgt er een Goddelijke opdracht die vanuit menselijk oogpunt onbegrijpelijk is.

Abraham heeft een lange weg met God afgelegd. Hij heeft God leren kennen, maar ook om te vertrouwen. Na zovele jaren wachten is eindelijk zoon Isaak geboren. De zoon van de belofte, de zoon waardoor God het nageslacht zou geven. En nu verwacht God dat Abraham zijn zoon neemt als offer aan God. Wat een enorme beproeving. Abraham heeft waarschijnlijk ook de waarom vraag gesteld.  Vroeg of laat worden we allemaal geconfronteerd met de vraag: ‘God, waarom? Waarom gebeurt dit in mijn leven. Waarom, juist als ik U wil volgen, krijg ik te maken met omverwachte tegenslagen.’  Waar we ons op dat moment aan vast kunnen houden is terugkijken naar wat God eerder voor je heeft gedaan en durven geloven dat het nu ook weer goed komt. We moeten in het donker niet vergeten, wat we in het licht hebben geleerd.

Abraham gaat op weg, we weten niet wat er in hem omgaat. De reis van Berseba naar de berg Moria is ongeveer 75 km. Een voetreis van een paar dagen, het zullen zware dagen voor Abraham zijn geweest. Isaak is geen klein kind meer, maar meer een jonge man. Sara was 90 jaar toen zij Isaak werd geboren en in Genesis 23 overlijdt zij op 123 jarige leeftijd. In ieder geval is Isaak een jongen in de kracht van zijn leven die gemakkelijk lichamelijk zijn oude vader de baas kan. 

Ze naderen de berg Moria, de knechten blijven achter, zo wil Abraham dat. Isaak vraagt: ‘Waar is het lam voor het offer?’  Abraham laat weten dat God zelf voor een offer zal zorgen. Abraham bouwt een altaar en legde zijn zoon Isaak op het altaar en bind hem vast. De reactie van Isaak wordt niet beschreven, maar de gehoorzaamheid van de jongen is niet te vatten.  Abraham pakt zijn mes om zijn zoon te offeren. Dan klinkt er een stem uit de hemel:  ‘Abraham, Abraham! ‘Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet Ik dat je ontzag voor God hebt.  Plotseling zit er een ram verstrikt in de struiken.  Het ram neemt de plaats in van Isaak. God vraagt tóch niet het onmogelijke van Zijn kinderen. 

Wat betekent dit verhaal anno 2025? God vraagt nooit iets van ons wat Hij in Jezus niet eerst Zelf voor ons heeft gedaan. Alles wat God van ons vraagt, heeft God in Jezus eerst voor ons Zelf gedaan. De reden waarom Abraham zijn zoon niet hoefde te offeren is omdat tweeduizend jaar later een andere Vader en Zoon samen de heuvel opgingen. Deze Zoon droeg ook Zijn eigen hout, maar deze Zoon werd niet gespaard. Deze Zoon werd gegeven, uit liefde voor ons allen. Hij heeft in onze schoenen gelopen, onze pijn gevoeld, is ons in alles voorgegaan. In ons leven komen wij op plekken waar Jezus al is geweest. Iemand is ons voorgegaan en heeft het touw gespannen waar wij aan vastzitten. De rode draad in ons leven. We ontvangen moed en genade om te blijven vertrouwen, ondanks alle vragen.  Bedenk dat: God roept, ook u!  Ja Heer, hier ben ik, ja ik luister…