Lezen Johannes 14: 1 t/m 7 serie ‘Ik ben’ dl. 6
1 Laat uw hart niet in beroering raken; u gelooft in God, geloof ook in Mij. 2 In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen; als dat niet [zo was], zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken. 3 En als Ik heengegaan ben en plaats voor u gereedgemaakt heb, kom Ik terug en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben. 4 En waar Ik heen ga, weet u, en de weg weet u. 5 Thomas zei tegen Hem: Heere, wij weten niet waar U heen gaat, en hoe kunnen wij de weg weten? 6 Jezus zei tegen hem: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij. 7 Als u Mij gekend had, zou u ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu af kent u Hem en hebt u Hem gezien.
In Johannes 14 begint Jezus de discipelen voor te bereiden op het naderende afscheid. Het zijn woorden van afscheid die Jezus spreekt tijdens de laatste maaltijd met Zijn discipen, voordat Hij gevangen wordt genomen. De discipelen zijn verward: ‘Laat uw hart niet in beroering raken’ . Jezus bedoelt: ‘Weest niet te zeer geschokt en in verwarring, wees niet ongerust’. Jezus wilde Zijn discipelen bemoedigen om het vertrouwen vast te houden. Hij maakt duidelijk dat Hij verenigd zal worden met Zijn Vader en dat Hij voor hen een plaats gereed zal maken. Hiermee blikt Jezus vooruit op het sterven van Zijn dispelen, maar ook op de nabije toekomst. ‘Ik kom terug’. De Heilige Geest zal op aarde komen, Jezus zal door Zijn Geest bij Zijn discipelen terugkeren en op deze manier in hun nabijheid zijn.
Jezus hoopt door al deze woorden een eind te maken aan de onrust en verwarring die er was ontstaan bij de discipelen. Jezus wilde duidelijk maken dat Zijn heengaan niet tot een scheiding leidde, maar juist tot een nog nauwere band tussen Hem en hen door Zijn Geest. Er was geen enkele reden om nog langer zo geschokt te zijn. ‘En waar Ik heen ga, weet u, en de weg weet u.’ Welke weg hoefde Jezus toch niet meer uit te leggen? Het moest nu toch voldoende bekend zijn! Jezus daagde Zijn discipelen uit en wilde een gesprek met hen op gang brengen.
Met ogen als schoteltjes zullen de discipel Jezus hebben aangekeken. Het was Thomas die als eerste wat zei en aangaf het echt niet te begrepen te hebben. ‘Heere, wij weten niet waar U heen gaat, en hoe kunnen wij de weg weten?’ Jezus antwoordt heel krachtig: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.’ Dit kwam Thomas en de andere leerlingen niet onbekend voor, maar hun Meester betrok nu deze drie termen op Zichzelf. Daarbij stond het begrip ‘weg’ bewust voorop, want dáárover stelde Thomas zijn vraag. Wilde Thomas en de andere discipelen samen met God door het leven, dan was er slechts één weg: Jezus is ‘dé weg’, niet ‘een weg’, maar dé weg’ omdat Hij ‘de waarheid’ is, d.w.z. de enige betrouwbare openbaring van de Vader. Wie dit gelooft, bij Jezus wil horen, die heeft het leven. ‘Wie de Zoon heeft, heeft het leven, wie de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet’ ( 1 Joh. 5: 12).
In ons dagelijkse leven zijn er ook vele wegen: klinkerwegen, asfalt, zandweg, wegen vol modder. Maar wat is nu een betrouwbare weg waar we goed op kunnen lopen? Een eenvoudige vraag met een eenvoudig antwoord: Een weg die vlak en stevig is biedt betrouwbaarheid. En als Jezus zegt: ‘Ik ben de Weg’, is dat een betrouwbare weg. We kunnen er met ons hele gewicht op leunen, we glijden niet weg, we vallen niet, integendeel, we blijven overeind. Bovendien, Jezus is niet alleen dé Weg, maar ook dé Wegwijzer, dé Gids Die de route naar de Vader bekend wil maken. Alleen door Hem kunnen we tot de Vader komen! Dat is waarheid en het betekent leven…
