Lezen Handelingen 1: 12 t/m 26 : Even voorstellen dl. 6: Dienaren van God
20 b En ook: “Laat een ander zijn taak overnemen.” 21 Daarom moet een van de mannen die steeds bij ons waren toen de Heer Jezus onder ons verkeerde, 22 vanaf de doop door Johannes tot de dag waarop Hij in de hemel werd opgenomen, samen met ons getuigen van zijn opstanding.’
We hebben in de afgelopen weken kennis gemaakt met twaalf mannen, die door Jezus geroepen werden als Zijn apostelen. Twaalf verschillende mannen, eenvoudig van afkomst, ieder met een eigen karakter. De meesten kwamen uit Galilea.’Ongeletterde en eenvoudige mensen’, worden ze door de Raad genoemd (Hand. 4:13). Maar het waren juist deze mensen, die de Heer riep in Zijn dienst. In het genoemde schriftgedeelte wordt gesproken over het verraad van Judas en er moet ook een nieuwe apostel worden gekozen. Maar aan welke criteria moest de nieuwe apostel voldoen?
In de eerste plaats moest de nieuw gekozen apostel één van de mannen zijn, die zich al bij de apostelen hadden aangesloten, als volgeling van Jezus. De doop van Jezus wordt als beginpunt genoemd tot de Hemelvaart van Jezus. Met andere woorden de nieuwe apostel moest dus vanaf het begin van het openbare optreden van Jezus ook in Zijn gezelschap hebben verkeerd. Maar het allerbelangrijkste was, dat de nieuwe apostel de opgestane Heer met eigen ogen had gezien.
De apostelen waren, zoals wij weten, door Jezus Zelf uitgezonden om het evangelie te verkondigen. Jezus bevestigde het werk van de apostelen door het verrichten van tekenen, wonderen en krachten. Deze bevestiging was ook nodig, want de Bijbel die wij nu kennen, was nog niet geschreven.‘11 En Hij is het die zowel apostelen heeft aangesteld als profeten, zowel verkondigers van het evangelie als herders en leraren, 12 om de heiligen toe te rusten voor het werk in Zijn dienst (Efeziërs 4).
Het is Jezus die de mensen de apostelen heeft gegeven om de gemeente te grondvesten. De apostelen hebben het fundament gelegd. ‘ 19 Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, 20 gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Christus Jezus zelf als de hoeksteen (Efeziërs 20).
Het toerusten van de apostelen voor de dienst in Gods Koninkrijk vond vanzelfsprekend plaats tijdens hun leven. Maar het is goed om te beseffen dat dit na hun dood niet is opgehouden. Wij hebben het Nieuwe Testament waarin de apostelen alles hebben opgeschreven wat alle generaties die na hen komen moeten weten. In Hand. 1 worden er twee mannen voorgesteld om de plaats van Judas Iskariot in te nemen: Josef Barsabbas, die de bijnaam Justus had, en Mattias. Daarna werd er gebeden of de Heere diegene wilde aanwijzen die Hij had gekozen. Het lot viel op Mattias en hij werd aan de elf apostelen toegevoegd.
De schrijver van de brief aan de Hebreeën roept ons allen op om de woorden die de apostelen hebben verkondigd in gedachten te houden. ‘Denk aan uw leiders, die het woord van God aan u hebben verkondigd, neem een voorbeeld aan hun geloof en kijk vooral goed hoe hun levenswandel eindigt. (Hebr. 13:7). Van de twaalf apostelen zijn er elf die een marteldood zijn gestorven.
Petrus, Andreas, Fillipus, Bartholomeüs, Jakobus de zoon van Alfeüs, Simon de Zeloot zijn gekruisigd.
Jakobus, de zoon van Zebedeüs en Mattheüs zijn door het zwaard gedood. Thomas door een speerstoot
Thaddeüs is door door pijlen gedood en Mattias is gestenigd. Alleen Johannes is een natuurlijke dood gestorven.
De vraag is: ‘Zouden al deze mannen zich hebben laten martelen voor een leugen?’ We weten het antwoord, zij mochten na een dienstbaar leven opgaan in een hemelse heerlijkheid en Jezus opnieuw aanschouwen.
