Lezen: Lucas 1: 26  t/m 56 – Maria
26 In de zesde maand werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea, waarvan de naam Nazareth was, 27  naar een maagd die ondertrouwd was met een man, van wie de naam Jozef was, uit het huis van David; en de naam van de maagd was Maria. 28  En toen de engel bij haar binnengekomen was, zei hij: Wees gegroet, begenadigde. De Heere [is] met u. U bent gezegend onder de vrouwen. 29  Toen zij [hem] zag, raakte zij in verwarring door zijn woorden, en zij vroeg zich af wat de betekenis van deze groet kon zijn. 30  En de engel zei tegen haar: Wees niet bevreesd, Maria, want u hebt genade gevonden bij God. 31 En zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven.

Wat zal Maria zijn geschrokken als ze tijdens haar dagelijkse bezigheden in het huis plotseling verrast wordt door het felle hemelse licht van Gabriël. Maria, een eenvoudig meisje uit Nazareth, die door God apart wordt gezet. Maria is een jaar of zeventien en verloofd met een zekere Jozef.  Zowel Jozef als Maria komen uit het geslacht van Davi. Er zijn twee lijnen:  een wettelijke en een natuurlijke lijn.
De wettelijke lijn, afkomstig uit het geslacht van David, is door Jozefs huwelijk met Maria,  Davids zoon Salomo was een voorvader van Jozef. De natuurlijke lijn afkomstig uit het geslacht van David,  begint bij Nathan, de derde of vierde zoon van David en Batseba. Nathan is dus de jongere broer van Salomo.  De naam Nathan zou een eerbetoon zijn aan de profeet Nathan.  Zoon Nathan is een voorvader van Maria. Jozef en Maria hebben trouwplannen, iedereen kent ze zoals in dorp iedereen elkaar kent. 

Maria is meer in verwarring door wat ze hoort,  dan door wat ze ziet. Wat zegt die blinkende gestalte allemaal tot haar?  Zij, gezegend boven alle vrouwen? Waarom? Wat gaat er gebeuren?  Gabriël ziet de ontroering en haar schrik. De engel spreekt vertroostende en bemoedigende woorden: ‘Wees niet bevreesd, Maria, want u hebt genade gevonden bij God.’. Wat een heerlijk moment moet dit zijn geweest. Voor Maria betekende deze genade niet alleen een gunst, maar zij mocht uit genade dienstbaar zijn. We zien overgave bij Maria. Laat het allemaal maar gebeuren zoals de engel het zegt.

De engel Gabriël vertelt ook dat nicht Elisabet zwanger is. Waarschijnlijk heeft Maria deze uitnodiging van de engel opgevat als een aansporing om Elisabet te bezoeken. Het is een wonderlijke ontmoeting tussen de twee vrouwen. Het kind in de schoot van Elisabet springt op als zij de groet van Maria hoort.  Elisabet wordt vervuld met de Heilige Geest en zij beseft dat de moeder van de Messias naar haar toekomt. Een heerlijk moment voor Elisabet en een bevestigend bemoedigend moment voor Maria. Hun harten smelten samen in aanbidding voor God. Het gaat er niet om wat er bij Elisabet is gebeurd of wat Maria allemaal mee heeft gemaakt. Het gaat er over wat God gaat doen, wat Hij doet, en gedaan heeft. 

Maria kan niet anders dan haar loflied zingen, waar het hart vol van is, stroomt de mond van over.  ‘Mijn ziel maakt de Heere groot, en mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker, want Hij Die machtig is, heeft grote dingen aan mij gedaan en heilig is Zijn Naam.’ Maria maakt haar Heere groot, en ziet het Kind in haar schoot als een Geschenk van God. ‘Hij heeft het opgenomen voor Israël, Zijn knecht, door aan Zijn  barmhartigheid te denken,  zoals Hij gesproken heeft tot onze vaderen, tot Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.’   Het kind in haar schoot zal Israël verlossen, maar ook een ieder die in God gelooft. Het is de echo van genade die Maria in haar schoot draagt. Hoe gezegend is zij onder alle vrouwen, maar ook hoe gezegend zijn wij door de geboorte van onze Verlosser.