Lezen: Genesis 17: 1 t/m 27  Abraham dl. 7: Geworteld in geloof
1 Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen de HEER aan hem en zei: ‘Ik ben God, de Ontzagwekkende. Richt je steeds naar mijn wil en leid een onberispelijk leven. 2 Ik wil met jou een verbond aangaan en Ik zal je veel, heel veel nakomelingen geven.’ 3 Abram boog zich diep neer en God sprak:4 ‘Ik doe jou deze belofte: je zult de stamvader worden van een menigte volken.  5 Ik zal je bijzonder vruchtbaar maken.6 Er zullen veel volken uit je voortkomen en onder je nazaten zullen koningen zijn.

Tussen het laatste vers van Genesis 16 en het eerste vers van Genesis 17 zit dertien jaar. Dertien jaar van wachten op de belofte van God. Iedere dag staat in het teken van van wachten. Hoelang gaat het nog duren? Het geduld van Abram en Saraï wordt behoorlijk op de proef gesteld.  Na dertien jaar verbreekt God de stilte en verschijnt Hij aan Abraham. Het is alsof God Zich opnieuw voorstelt:‘Ik ben God, de Ontzagwekkende’.  Hij is Degene die in staat is om Zijn beloftes waar te maken. Meteen geeft God een opdracht: ‘Richt je steeds naar mijn wil en leid een onberispelijk leven.’ Abram is vol diep respect en buigt voor God. Twaalf verzen lang is God aan het woord. Dat moet een geweldige geloofsbeleving en bemoediging voor Abram zijn geweest.

Ten eerste herinnert God voor de vierde keer Abram aan Zijn belofte, blijkbaar heeft Abram dat nodig. Om deze belofte nog eens te bevestigen krijgt Abram een andere naam: Abraham. Deze nieuwe naam zal Abraham keer op keer bewust maken van Gods belofte, want in het Hebreeuws betekent ‘raham’  menigte. Abraham wordt stamvader van een menigte volken. Het is trouwens de eerste keer dat iemand in de Bijbel een andere naam krijgt.

Vervolgens legt God uit wat er van Abraham en van zijn nakomelingen wordt verwacht: mannen moeten zich laten besnijden. De besnijdenis was een fysiek teken van een dagelijkse leven met God.  Abraham en zijn nakomelingen waren apart gezet door God en voor God. Het is een nieuwe manier van leven.

God is nog steeds niet uitgesproken. Hij heeft Abraham verteld wat Hij van hem verwacht en nu begint God over Saraï te spreken. Ook zij krijgt een nieuwe naam en is daarmee de enige vrouw in de Bijbel die een nieuwe naam krijgt: Sara.  Uiterlijk buigt Abraham voor God uit eerbied en ontzag, maar in zijn binnenste kan hij het maar amper geloven. Een kind! Hij is notabene bijna honderd en Sara is een vrouw van negentig. Abraham reageert als mens, vervalt in een oude gewoonte en zoekt zelf naar een oplossig om stamvader te worden van een menigte volken. Hij schuift Ismaël naar voren, al is Sara niet de moeder, Abraham is wel de biologische vader.  Dus misschien kan God Zijn belofte waarmaken via Ismaël?  Nee! De zoon van de belofte moet een zoon van Abraham en Sara zijn en moet op een bovennatuurlijke manier geboren worden, niet door eigen kracht.  Volgend jaar rond dezelfde tijd! Met deze woorden komt er een einde aan het lange wachten. Ook de naam wordt door God gegeven: Isaak!  Nadat God zo met hem gesproken had, ging Hij bij Abraham vandaan. (vs.22). 

Leren wachten op God is wellicht één van de moeilijkste dingen voor de moderne mens die in deze digitale wereld alles binnen handbereik heeft. Hoe houden Gods kinderen het vol en hoe voorkomen we dat de reis met God vroegtijdig ten einde is? Het lijkt een moeilijke vraag maar het antwoord is verrassend eenvoudig: Als wij geloven dat alles in dit leven gerealiseerd moet worden, dan telt elke minuut. ‘Stilstand is achteruitgang’, is een kreet die wij horen hier op aarde. Als gelovigen kijken we anders tegen het wachten aan. In de wachtkamers van ons leven kan God ons vormen en ons nóg meer naar Zich toe trekken, om geestelijk te groeien, om te ontdekken wat geloofsvertrouwen inhoudt.  Want juist in deze wachtkamers klinkt telkens opnieuw: God roept, ook u.