Lezen: Genesis 21: 1 t/m 20 Abraham dl. 11: de vreugdelach van Sara
1 De HEER zag om naar Sara zoals Hij had beloofd, Hij gaf haar wat Hij had toegezegd:2 Sara werd zwanger en baarde Abraham op zijn oude dag een zoon, op de vastgestelde tijd, die God hem had genoemd. 3 Abraham noemde de zoon die hij gekregen had en die Sara hem gebaard had, Isaak, 4 en hij besneed Isaak toen deze acht dagen oud was, zoals God hem had opgedragen. 5 Abraham was honderd jaar toen zijn zoon Isaak werd geboren. 6 ‘God maakt dat ik kan lachen,’ zei Sara, ‘en iedereen die dit hoort zal met mij mee lachen.
Het grote moment is eindelijk daar, na jaren wachten. Waar Abraham een Sara zo lang naar hebben uitgekeken. Twee keer wordt het aangekondigd: De Heere zag en gaf! Al die tijd was Sara stil op de achtergrond. Nu wordt zij naar voren geschoven, nu is het Sara die spreekt. Alles benadrukt het grote wonder van God. ‘God maakt dat ik kan lachen’ , wat een vreugde springt er uit deze woorden. Dit is haar moment. Vol verwondering klinkt het uit haar mond: ‘Wie had Abraham durven voorspellen dat ik ooit een kind de borst zou geven? En toch heb ik hem op zijn oude dag nog een zoon gebaard!’
Wat zal de kleine Isaak een vreugde hebben gegeven. Denk je dat eens in. Alleen al het noemen van zijn naam zal als muziek in de oren van de ouders hebben geklonken. Hoe vaak zullen Abraham en Sara hebben gelachen als ze hun zoontje in hun armen hielden, of als ze hem op bed legden, of met hem speelden. Deze diepe vreugde is niet alleen voor Abraham en Sara, maar ook voor de mensen die in hun nabijheid waren. Want lachen werkt aanstekelijk. Terecht zegt Sara dat iedereen die dit hoort met haar mee zal lachen. In verwondering, uit dankbaarheid, in aanbidding om wat God heeft gedaan. Het wachten op een zoon staat centraal in het leven van Abraham. De geboorte van Isaak is het feestelijk hoogtepunt. De zoon van de belofte is geboren.
Keer op keer gaat het in Genesis over gezinnen en families. We lezen hoe geweldig mooi het is, maar ook hoe relaties heel ingewikkeld kunnen zijn. Eerst wordt er uitbundig feest gevierd als Isaak niet meer bij zijn moeder drinkt. Isaak zal rond de drie jaar zijn geweest, dat is een mijlpaal in een tijd waarin kinderen ook vroeg stierven. We kunnen gerust aannemen dat Abraham een groot feest heeft gegeven voor zijn grote huishouden.
Plotseling slaat het geluk van Sara om als zij ziet hoe Ismaël spottend lacht. Dit kan Sara niet verdragen. Ismaël is een tiener, een puber zouden we zeggen. Werd Isaak belachtelijk gemaakt of was er meer aan de hand? Voelde Sara zich bedreigd? Sara wordt ingehaald door haar de schaduw van het verleden. Sara wil dat Abraham haar slavin met haar zoon wegstuurt. Sara haar slavin niet bij haar naam: Hagar. Het zal een lastig dilemma zijn geweest voor Abraham. Ongetwijfeld heeft hij ook vaderlijke gevoelens voor Ismaël. God grijpt in en laat Abraham weten dat hij moet doen wat Sara van hem vraagt. God is duidelijk: alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als nageslacht.
Desondanks zal Abraham met pijn in zijn hart Hagar en zijn zoon Ismaël hebben weggestuurd. Hij geeft hun hun water en brood mee voor onderweg. Hagar en Ismaël gaan en trekken de woestijn in. Het moment van afscheid zal moeilijk zijn geweest. Natuurlijk is op een zeker moment het water op. De dood dreigt. Opnieuw grijpt God in en belooft dat uit Isamaél een groot volk zal voortkomen. God opent Hagar niet alleen de ogen, maar ook de toekomst. Hagar ziet een bron. Water als teken van leven in de woestijn. Hagar en Ismaël kunnen niet meer terug, maar wel verder. Ook Ismaël groeide op onder de bescherming van God. Beide zonen van Abraham worden gezegend.
In de zegen ligt de roepstem van God. God roept Sara, Abraham, Hagar…, God roept, ook u!
