Lezen Lucas 10: 25 t/m 37: Barmhartige Samaritaan
25 En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken, en zei: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? 26  En Hij zei tegen hem: Wat staat er in de Wet geschreven? Wat leest u [daar]? 27   Hij antwoordde en zei: U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf. 28  Hij zei tegen hem: U hebt juist geantwoord. Doe dat en u zult leven. 29 Maar hij wilde zichzelf rechtvaardigen en zei tegen Jezus: Wie is mijn naaste? 

Jezus heeft de gelijkenis van de barmharige Samaritaan verteld nadat Hij voor de eerste keer Zijn lijden heeft aangekondigd. Nu werd er in het oude Midden Oosten vaak gecommuniceerd door middel van verhalen.Want wanneer je iets duidelijk wilde maken, dan werd het niet rechtstreeks in je gezicht gezegd. Zeker niet als het ging om een kritische boodschap. Je vertelt een verhaal waarin de ander zich kan herkennen en daarom aanvoelt wat je hem wilt zeggen. Het is een respectvolle manier van communiceren. In deze traditie van verhalen staan de gelijkenissen van Jezus. Het zijn verhalen of beelden waarin een goede luisteraar zich meteen herkent en uit het leven gegrepen. De clou zat meestal in een bepaald aspect van het verhaal dat op verrassende wijze afweek van de werkelijkheid. In wat niet normaal was lag juist datgene wat Jezus probeerde te zeggen.

Iedereen kent de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.  Een wetgeleerde stelt zijn vraag, maar de man is niet tevreden met het antwoord van Jezus: God liefhebben boven alles en je naaste als je zelf.  De wetgeleerde wil weten hoe ver deze regel gaat. Wie behoren er tot die naasten? Of met andere woorden: Wie moet ik liefhebben en wie hoef ik niet lief te hebben? Jezus vertelt daarom het verhaal van een man die door de rovers is geplunderd en in elkaar is geslagen. De vertegenwoordigers van de godsdienst lopen langs de arme man heen, terwijl juist een Samaritaan hulp geeft. En dat is opmerkelijk, temeer omdat de Joden en de Samaritanen op gespannen voet leefden. Van een Samaritaan verwacht je heel eenvoudig geen hulp.

Je zou verwachten dat Jezus nu zou vragen: ‘Begrijp je nu wie je naaste is’?’ En dan had de wetgeleerde moeten antwoorden: ‘ Niet alleen iemand uit eigen familie, of volk, maar een naaste kan ook iemand zijn van een vijandig volk’.    Maar Jezus vraagt heel iets anders:  Wie van deze drie denkt u dat de naaste geweest is van hem die in handen van de rovers gevallen was? (vs 36). Dat is de omgekeerde wereld. Het gaat er dus niet om dat de arme Joodse man de naaste is van de Samaritaan, maar dat de Samaritaan de naaste is van deze Joodse man. Dat is schrikken voor de wetgeleerde.

Wat Jezus bedoelt is dat de naaste niet alleen de persoon is die we liefde moeten bewijzen, maar dat de Naaste met een hoofdletter, Degene is die ons op aarde en barmhartigheid van God komt bewijzen.  Jezus zelf is de Naaste! Hiij wist dat de Joodse leiders Hem uitscholden voor ‘Samaritaan’ (Joh.8:48). Maar Jezus wilde de Samaritaan zijn, die is neergedaald uit de hemel, om de mensen de liefde van God te komen brengen. Al deze mensen hadden Zijn hulp nodig om te worden gered uit de handen van de boze.  Daarvoor zou Hij moeten lijden en sterven en dat heeft Hij uit liefde gedaan.

De gelijkenis wil ons duidelijk maken dat we zélf eerst uit de liefde van Jezus moet leren leven zodat we de liefde kunnen doorgeven aan de mensen om ons heen. En hoe heerlijk is het dat we elkaar daarbij kunnen helpen…