Lezen: 1 Samuel 16: 1 t/m 13 serie: Uw dienaar luistert dl. 7
7b Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart. 13 Samuel nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Van toen af aan was David doordrongen van de geest van de HEER. Daarna vertrok Samuel weer naar Rama.

Samuel heeft verdriet om Saul, omdat de Heere het koningschap van Saul heeft afgenomen. Hoewel hij niet geschroomd heeft de boodschap van God door te geven aan Saul, treurt Samuel om het feit dat Saul straks geen koning meer zal zijn.  Als profeet is Samuel trouw, als mens ervaart hij pijn.  De Heere heeft echter een nieuwe opdracht voor hem, hij mag een nieuwe koning gaan zalven. Het zal het laatste optreden van Samuel worden. Dit optreden van Samuel eindigt niet met een ongehoorzame koning die verworpen wordt, maar op het moment dat er een nieuwe koning aantreedt. Het optreden van deze nieuwe koning is beslissend anders.

De opdracht die Samuel krijgt vindt hij niet gemakkelijk. Als Saul hoort dat iemand anders tot koning is gezalfd zal hij ongetwijfeld heel erg boos zijn. We zien hierin iets van Samuel karakter. Samuel is niet iemand met veel bravour, maar hij is wel heel erg trouw. Hierin ligt het geloof van Samuel. Hij laat zich niet leiden door de omstandigheden, maar door geloofsgehoorzaamheid aan God.

Als Samuel in Bethlehem komt, schrikken de oudsten van de stad enorm. Juist omdat Samuel zijn komst niet heeft aangekondigd, denken ze wellicht aan een oordeel van God, dat hen boven het hoofd hangt. Samuel legt uit dat hij gekomen is om een offer te brengen, en hij zegt tegen de oudsten dat ze zich moeten wassen. De reiniging is niet alleen een ritueel dat hoort bij de offerdienst. Het tekent ook de relatie tussen God en de mens. Het gaat om de heilige God en de onheilige mensen.  In het licht van het Nieuwe Testament gaat het om Jezus die zorgt voor de reiniging tussen God en de mens.

Niet alleen de oudsten worden uitgenodigd, maar ook Isaï en zijn zonen krijgen een uitnodiging. Als alles is klaargemaakt en de feestelijke offermaaltijd kan beginnen, dan komen de zonen van Isaï binnen. Wanneer Samuel Eliab ziet, denkt hij dat dit de nieuwe koning is. Eliab heeft een indrukwekkend uiterlijk en is een boom van een  kerel. Maar de Heere laat weten dat Hij niet kijkt naar het uiterlijk, maar naar het hart van de mens. God kijkt anders. Hij kijkt voorbij de uiterlijkheden, God kiest vaak onverwacht juist vanwege het hart. De koning die gezalfd zal worden, moet immers een hart hebben dat de Heere dient. De koning moet gefocust zijn op God.

Als alle aanwezige zonen van Isaï voorbij zijn gekomen, vraagt Samuel of er nog meer zonen zijn. Isaï geeft aan dat er nog één zoon is, hij is bij de schapen, David is zijn naam. Het is niet duidelijk waarom David niet werd opgehaald voor de offermaaltijd. Was hij te onbelangrijk of te jong? Samuel geeft de opdracht om David te halen. Als David binnenkomt legt God de overtuiging in het hart van Samuel dat David koning moet worden. Dat is heel bijzonder, temeer ook omdat David de jongste is. Het moet confronterend zijn geweest voor de oudere broers om te zien hoe hun jongere broer tot koning werd gezalfd. Maar het gaat om de binnenkant van David, hij is, door genade, de man naar Gods hart.

Psalm 78: 70, 71 vertelt van deze gebeurtenis: ‘Zijn keuze viel op David, zijn dienaar, Hij riep hem weg bij de schaapskooi, haalde hem achter de zogende ooien vandaan en maakte hem herder van Jakob, zijn volk, van Israël, zijn eigen bezit’. Een vers later:  David was een herder met een zuiver hart, met vaste hand heeft hij hen geleid.  En dát maakte hem geschikt als koning. David had een oprecht hart en ook al was David niet zonder zonde, in het hart van David was altijd ruimte voor God.

Bij de zalving van Saul werd een breekbare oliekruik gebruikt. Bij de zalving van David wordt gebruikgemaakt van een oliehoorn, die niet breekbaar is. Het geeft het verschil weer tussen het koningschap van Saul dat niet blijvend is, en het eeuwige koningshuis van David, want: ‘ uit de stronk van Isaï schiet een Telg op, een scheut van zijn wortels komt tot bloei. (Jesaja 11:1)