Lezen: Mattheüs 5: 1 t/m 3 – De Bergrede – inleiding
1 Toen  Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op, en nadat Hij was gaan zitten, kwamen Zijn discipelen bij Hem. 2 En Hij opende Zijn mond en onderwees hen. Hij zei:
3 Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.

Heel veel mensen luisteren op prinsjesdag naar de troonrede. Maar binnen een paar weken of maanden weten weinig mensen nog maar iets van wat onze aardse koning heeft gezegd.  Hoe bijzonder is het dat de bergrede, die twintig eeuwen geleden door onze Hemelse Koning is uitgesproken, nog steeds bekend en actueel is bij veel gelovigen.  Het maakt duidelijk hoe groot de invloed is van de bergrede. De komende weken willen we er samen over nadenken. Eindeloos is er over de bergrede gediscussieerd en bijbelstudies gehouden. Maar het is heel eenvoudig, de nadruk van de bergrede ligt niet in hetgeen wat God van ons vraagt, maar juist in wat God aanbiedt. Het is precies zoals Jezus zegt: ‘Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.’ (Matth. 19:26). Wie dit beseft leest de bergrede vol bewondering en verwachting. Bij God zijn alle dingen mogelijk. ‘Heer, ik geef mij aan U over’, is een passende houding om zich te verdiepen in de bergrede. Het gaat om Jezus volgen en in Zijn spoor willen lopen. En wie voor rede vatbaar is…

De rede van Jezus wordt de bergrede genoemd omdat Jezus deze rede uitsprak op een van de bergen van Galilea. De bergrede is zo compleet en volledig dat deze rede ook wel de grondwet van het  Koninkrijk der hemelen wordt genoemd.  Een belangrijke vraag is: ‘Tot wie spreekt Jezus deze woorden?’ Het antwoord lezen wij in de eerste twee verzen: de discipelen kwamen tot Hem, en Hij onderwees hen.  Maar over de hoofden van de  discipelen spreekt Hij ook tot de mensen, iedereen kon meeluisteren en dat was ook de bedoeling.

Wat in de bergrede sterk naar voren komt is dat wat we zijn in Christus, niet in wat we doen. Natuurlijk is dat laatste ook belangrijk, maar de nadruk ligt op wat we zijn. Bij God werkt dat Zelf ook zo. Als God Zijn Naam bekend maakt aan Mozen is de Naam: ‘Ik ben, die Ik ben (Ex.3:14).  Dus niet:  ‘Ik doe wat Ik doe’.  Wie God is, is belangrijker dan wat God doet.  Ook Jezus zegt steeds weer van Zichzelf: ‘Ik ben…’  Alle ‘Ik ben’, uitspraken zijn hieraan ontleend. Het gaat er in de eerste plaats niet om wat Jezus doet, maar om Wie Hij is. En dat geldt dus ook voor Zijn volgelingen.  Het gaat in de eerste plaats om wie we zijn als Gods kinderen. Daarom begint Jezus de bergrede door negen keer te vertellen wie we zijn in Hem. Hij vat alles samen in dat ene woord: Zalig. Zalig, zoals hier bedoeld wordt betekend welgelukzalig. Daarin ligt het woord ‘geluk’.  Zalig ligt ook dichtbij het woord  ‘gezegend’. De zaligsprekingen zijn uitspraken over geluk. Geluk van binnenuit.

De eerste en belangrijkste zaligspreking spreekt Jezus meteen uit. ‘Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.’   Deze woorden omschrijven datgene wat nodig is in het diepst van heel ons wezen: onze geest. Want daar is het misgegaan. Oorspronkelijk was de geest de woonplaats van Gods Geest. Na de zondeval zei God: ‘Mijn levensgeest mag niet voor altijd in de mens blijven,’Gen.6;3). Dit betekent dat voor de zondeval Gods Geest wel in de mens was want God maakte de mens naar Zijn beeld en gelijkenis en woonde Zijn Geest in de mens. Uit Zijn Geest schonk Hij Zijn liefde, zegen en leiding. Maar de mens maakte een andere keuze.  We kennen de geschiedenis en de gevolgen daarvan.Toen zond God Zijn Zoon om alles te herstellen tussen God en de mens. Wie arm van geest is, maakt ruimte voor de Geest van Geest. Door het offer van Jezus te aanvaarden, kan Gods Geest Zijn plaats weer innemen, zoals eens bij de schepping de bedoeling was.  De armen van geest ontvangen Zijn liefde, zegen en leiding omdat het Koninkrijk der hemelen van hen is. En dan gaat het opeens over onze Toekomst…