Lezen: Genesis 15: 1 t/m 24 Abraham dl. 5 : Twijfel
1 Niet lang daarna richtte de HEER zich tot Abram in een visioen: ‘Wees niet bang, Abram: Ikzelf zal een schild voor je zijn. Je loon zal vorstelijk zijn.’ 2 ‘HEER, mijn God,’ antwoordde Abram, ‘wat voor zin heeft het mij te belonen? Ik zal kinderloos sterven, en alles wat ik bezit zal het eigendom worden van Eliëzer uit Damascus. 3 U hebt mij immers geen nakomelingen gegeven; daarom zal een van mijn dienaren mijn erfgenaam worden.’ 4 Maar de HEER sprak opnieuw tot hem: ‘Nee, niet je dienaar zal jouw bezittingen erven, maar een kind dat jijzelf zult verwekken.’
Hoge bergen en diepe dalen. Vol vertrouwen op weg en soms de weg ook kwijt. Zo ziet het leven van Abram eruit en juist dát maakt hem menselijk en zo herkenbaar voor ons. Was Abraham in Genesis 14 een moedig mens, in Genesis 15 zien we een sombere neerslachtige Abram.
Het hoofdstuk begint met God die zich tot Abram richt: ‘Wees niet bang’. Waarom zegt God dit tegen iemand die zo pas nog zo moedig is geweest? Maar blijkbaar vond Abram dat hij reden had om bang te zijn. Misschien was hij bang dat de koningen uit Gen. 14 terug zouden komen en wraak wilden nemen.
‘Wees niet bang!’ Het zijn woorden die regelmatig worden herhaald in de Bijbel. Woorden die vaak als eerste klinken als God verschijnt. Stop met angstig zijn. Vervolgens doet God een twee beloftes: ‘Ikzelf zal een schild voor je zijn’ en ‘Je loon zal vorstelijk zijn.’ God weet wat Abram zit, wat hij voelt, maar ook wat hij nodig heeft. Want God wil Zijn kind altijd ontmoeten op de plek waar hij is, hoe de stemming ook mag zijn. Het eerste wat God dan zegt is: ‘Wees niet bang’.
Juist omdat God Abram ontmoet op de plek waar hij is en hem geruststelt, ervaart Adam de ruimte om zijn hart te openen voor God om zijn diepere angst, maar ook om zijn twijfel te delen. Abram die weet het even niet meer. Natuurlijk is de reis samen met God leerzaam, het heeft zijn leven verrijkt, alleen er is één ding dat knaagt, beginnen de jaren niet te tellen? Hoe zit het met de beloftes die God heeft gedaan aan het begin van de reis? Zullen er in de toekomst werkelijk nakomelingen zijn?
Abram heeft God leren kennen als een machtige Bondgenoot, Iemand die hem geroepen, geleidt, beschermd heeft. Het is allemaal heel mooi, maar dan komt het hoogste woord eruit: ‘Wat heeft het voor zin?’ In plaats van dat Abram steun haalt uit de beloftes van God lijkt het alsof hij bij voorbaat zijn conclusie al heeft getrokken. Dan spreekt God opnieuw. God wordt niet boos, er is ook geen verwijt of oordeel. God schrikt niet van onze vragen, integendeel, Hij geeft zelfs ruimte aan onze vragen en twijfels en weet dat wij breekbare mensen zijn.
God leidt Abram zachtjes naar buiten om hem uit zijn tunnelvisie te laten ontwaken. Abram krijgt de opdracht om naar boven te kijken, en God nodigt hem uit om de sterren te tellen. Het is alsof God hem toefluistert: ‘Kom uit jezelf, kruip uit je schulp en kijk eens omhoog’. Dan klinkt opnieuw de belofte: ‘Zo zal het ook zijn met jouw nakomelingen.’ Dan is het voorbij met de neerslachtigheid van Abram: ‘Abram vertrouwde op de HEER en Deze rekende hem dit toe als rechtvaardigheid. Geweldig! Voor wie vertrouwt op de HEER, rekent de HEER dit als rechtvaarigheid. Wat een bemoediging. Wanneer we stuklopen op onze eigen gedachten en twijfels, dan leert God ons om naar Boven te kijken. ‘Wees niet bang, jullie zijn gerechtvaardigd door het geloof!’
Vervolgens sluit God opnieuw een verbond met Abram en laat Abram een stukje van de toekomst zien, het verblijf van het volk Israël in Egypte, maar ook het Beloofde Land. (vs. 7 t/m 21). Het verbond dat God sluit met Abram, gaat niet alleen over Abram, maar ook over het volk dat uit hem voort zal komen. Het verbond dat God met Abram sluit zal uiteindelijk over alle volken gaan, want God heeft niet alleen Abram geroepen, God roept iedereen. Hij roept ook ons. Wees niet bang.
