Lezen Lucas 19: 28 t/m 44: Intocht in Jeruzalem – Gezegend is de Koning!
30 Hij zei: Ga het dorp in dat voor u ligt, en als u daar binnenkomt, zult u een veulen vinden dat vastgebonden is, waarop geen mens ooit heeft gezeten. Maak het los en breng het [hier.] 31 En als iemand u vraagt: Waarom maakt u [dat] los, dan zult u zo tot hem spreken: Omdat de Heere het nodig heeft. 32 En zij die uitgezonden waren, gingen erheen en vonden het zoals Hij hun gezegd had. 33 En toen zij het veulen losmaakten, zeiden de eigenaars ervan tegen hen: Waarom maakt u het veulen los? 34 Zij nu zeiden: De Heere heeft het nodig.

Jezus kwam uit Jericho, dat niet ver ten oosten van Jeruzalem ligt. Het was een dagreis van ongeveer 30 km. Jezus besloot dat het moment was aangebroken om zich openlijk te presenteren als de Messias, die door God naar de aarde was gezonden. Twee discipelen worden door Jezus er op uit gestuurd om een veulen te vinden dat vastgebonden is. Het is niet zomaar een ezelsveulen, een profetie wordt vervuld. De mensen moeten weten van deze ezel uit Zach. 9: 9. ‘Verheug u zeer, dochter van Sion! Juich, dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland, arm, en rijdend op een ezel, op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.’

Geen enkele koning zou het in zijn hoofd halen om op zo’n simpel ezeltje te rijden.  Andere koningen zouden op een paard rijden of in een draagstoel of wagen binnenkomen.  De keuze van een ezel als rijdier laat iets van Jezus’ karakter zien: Zijn nederigheid en zachtmoedigheid. Dat beeld wordt nog versterkt doordat Jezus ervoor koos om niet op een volwassen ezel te rijden, maar op een jong veulen, dat nog nooit bereden was geweest.

De twee discipelen brachten de ezel bij Jezus, en de ezel droeg Jezus op zijn rug en bracht Jezus bij de mensen. Doorgaans is een ezelsveulen erg weerbarstig als hij voor het eerst een berijder heeft, maar in dit geval gaat het heel goed. Met Jezus als berijder voelde het veulen zich kennelijk op zijn gemak! Het was wel ongewoon dat een pelgrim Jeruzalem op een rijdier binnenging. Maar Jezus had een bedoeling met dit optreden. Zoals Salomo gedaan had (1Kon.1:33) zou Hij als Koning onder luid gejuich de hoofdstad binnenrijden. Zijn intocht was aan de ene kant feestelijk, aan de andere kant ook nederig.

De menigte zag hoe Jezus, rijdend op het ezelsveulen, op weg was naar Jeruzalem. Bij wie de geschriften goed kende gingen de ogen open. Jezus werd herkend als de beloofde Messias. Die gaat natuurlijk naar Jeruzalem zou gaan om het koningschap op te eisen. Hoera, ze zouden eindelijk worden bevrijd van de Romeinse overheersing! Ze waren buiten zichzelf van enthousiasme.  Ze plukken palmtakken en als een koninklijke overwinnaar rijdt Jezus Jeruzalem binnen. Hoewel Jezus lijden en sterven te wachten staat in Jeruzalem, komt Hij niet als een martelaar de stad binnen, maar als een koning. Zijn weg naar het kruis is geen ondergang, maar een zegetocht, want het is zeker dat Hij overwint, omdat Hij zal opstaan uit de dood.  Hosanna! Gezegend is Hij die komt in de Naam van de HEERE.  Het zijn woorden de woorden uit Psalm 118: 26 Gezegend wie komt in de Naam van de HEERE!

Wie Psalm 118 kent, kent ook het volgende vers: 27 De HEERE is God, Hij heeft ons licht gegeven. Bind het feestoffer vast met touwen tot aan de horens van het altaar.  Bind het offer vast. Jezus werd vastgenageld aan het kruis.  Jezus huilde, toen Hij tijdens de intocht naar de stad keek.  Hij is niet bedroefd vanwege het lot dat Hem wacht, Jezus spreekt door Zijn tranen hier een onvervuld verlangen uit: Jeruzalem, de stad door God uitverkoren voor de bouw van de tempel, zou Zijn verlossing aan moeten nemen, evenals ieder mens hier op aarde…