In de zomerweken staan we stil bij allerlei interessante wetenswaardigheden uit de Bijbel.
Vandaag dl. 2 over het paard: de legerpaarden en trekpaarden
Leger en/of oorlog paarden
In de Bijbel wordt het paard vaak genoemd als een krachtig, edel en strijdvaardig dier.
In Job 39 wordt het paard beschreven als sterk, moedig en onbevreesd in de strijd. 19 Kunt u het paard kracht geven? Kunt u zijn nek met manen bekleden? 20 Laat u het springen als een sprinkhaan? De majesteit van zijn gesnuif is een verschrikking. 21 Het schraapt in de dalgrond en het is vrolijk in zijn kracht, en het trekt uit, de wapens tegemoet. 22 Het lacht om de angst en is niet ontsteld, en keert niet om vanwege het zwaard. 23 De pijlkoker klettert tegen hem aan, het ijzer van de werpspies en de speer. 24 Al trillend en briesend verslindt het de aarde, en is niet te houden als het geluid van de bazuin klinkt. 25 Bij elke bazuinklank zegt het: Ha! en van verre ruikt het de strijd, en het hoort het tieren van de vorsten en het krijgsgeschreeuw.
Het is heel confronterend voor Job want God vraagt aan hem of hij een paard met kracht kan bekleden. Op een sierpaard werd een mooi kleed gelegd, maar kan Job een paard ook bekleden met macht? Nee, op geen enkele manier lukt dit Job. God vraagt of Job misschien de nek met manen kan bekleden? Natuurlijk niet. In de oude statenvertaling staat: ’19b Kunt gij zijn hals met donder bekleden?’ Job zal best geschrokken zijn van deze vraag. Maar er is een reden voor deze vraag: in de hals van een paard ligt zijn grootste kracht, en met de donder wordt de donder en bliksem in de natuur bedoeld, maar ook het oorlogsgeweld tussen de strijdende partijen. Het is algemeen bekend dat een paard moedig dier is, dapper en onverschrokken in de strijd. God beschrijft nu een paard in een felle strijd. Job begrijpt wat God duidelijk wil maken. Job wordt stil voor de Heere: Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. (Job 40: 4)
Wat God bedoeld is dat Hij het is Die kracht geeft, zodat de mens niet op het paard moet vertrouwen, maar juist op God. Ps. 33: 16 Een koning wordt niet verlost door een groot leger, een held wordt niet gered door grote kracht. 17 Het paard geeft valse hoop op de overwinning en bevrijdt niet door zijn grote kracht.
Ook wordt in Jozua 11: 4 t/m 6 gesproken over oorlogspaarden. De koningen van Kanaän en van andere volken streden tegen Jozua met behoorlijk veel paarden en wagens, terwijl Israël te voet moest vechten. Maar geen nood, de Heere streed voor Israël. Jozua had ervaren wat David later vermeld in Psalm 20: 8: ‘ Anderen vertrouwen op paarden en wagens, wij op de naam van de HEER, onze God.’
Trekpaarden voor de wagens
Het paard kon wel lasten dragen of trekken, maar dat was in Israël niet de gewone hoofdtaak van het paard, toch gebeurde het wel dat er een paard voor de wagen werd gespannen
2 Koningen 5:9: ‘Zo kwam Naäman met zijn paarden en met zijn wagen, en hij bleef voor de deur van het huis van Elisa staan.’
2 Koningen 6: 13,14,: Hierop zei de koning: ‘Zoek voor mij uit waar hij (Elisa) is, dan zal ik hem gevangen laten nemen.’ Toen hem werd verteld dat Elisa in Dotan was, stuurde hij een groot leger met strijdwagens en paarden op de stad af
Volgende week dl. 3 over het paard in de Bijbel.
